Jantine Kriens
Voorwoord, partners gezocht

Nu verschillende budgetten gedecentraliseerd worden naar schoolbesturen, wordt de kern van onderwijsinnovatie verlegd van de landelijke overheid naar de scholen en hun besturen zelf. Daar valt veel voor te zeggen. Scholen verschillen immers steeds meer en maatschappelijke veranderingen gaan in een hoger tempo dan de landelijke overheid kan bijhouden. Mondige ouders willen bovendien zoveel mogelijk keuzevrijheid.

In het onderwijsachterstandenbeleid speelt de lokale overheid een duidelijke rol. De gemeente moet samen met scholen en schoolbesturen ervoor zorgen dat voor allochtone en autochtone kinderen van laag opgeleide ouders het onderwijs kwaliteit heeft en toegankelijk is. Maar vanaf augustus 2006 wordt dit partnerschap niet langer bij wet af gedwongen. Het huidige kabinet doet een beroep op de maatschappelijke verantwoordelijkheid van scholen en hun besturen om zelf te zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs aan leerlingen die behoren tot de doelgroep van het onderwijsachterstandenbeleid.

Maar kwaliteitsverbetering betekent niet per definitie dat de specifieke leer- en ontwikkelingsbehoeften van kinderen van laag opgeleide ouders voldoende aandacht krijgen. Een schoolteam dat geen kennis heeft van de achtergronden van deze leerlingen, kan moeilijk bepalen welke na- of bijscholing er nodig is. Scholing van het team verbetert dan de kwaliteit van het onderwijs wel in algemene zin, maar niet genoeg voor doelgroepleerlingen. En ook als leraren wel weten welke kennis en kunde zij nodig hebben, hoe bepalen zij en het bestuur dan welk scholings- en ondersteuningsaanbod daarbij past? Lang niet overal wordt gewerkt op basis van beargumenteerde keuzes met behulp van actuele kennis over wat wel en niet werkt. Wie brengt vraag en aanbod bij elkaar en wie zorgt ervoor dat kennis steeds weer wordt geactualiseerd en toepasbaar gemaakt?

Nu scholen en hun besturen beter worden gepositioneerd om eigen beleid te ontwikkelen, is het meer dan ooit noodzakelijk over deze vragen na te denken. Als dat niet gebeurt lopen we het risico dat autonomievergroting slechts een bureaucratische reorganisatie is. Dan gaan we jaren tegemoet van fragmentatie en verlies van kennis, en over tien jaar roepen we dan weer om een stevig gestuurde landelijke innovatie.

Maar dat hoeft niet te gebeuren. In het onderwijsachterstandenbeleid is veel kennis en ervaring opgedaan met lokaal gestuurde en interzuilaire innovatie: de grote stimuleringsprojecten, het onderwijsvoorrangsgebiedenbeleid en het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid. Inhoudelijk is het onderwijsachterstandenbeleid ook niet gebonden aan zuilaire belangen. Men leert graag van elkaar en werkt samen in netwerken. Lokaal bestaan er interessante innovaties waarin praktijk, scholing, onderwijsbegeleiding en wetenschap elkaar versterken. Autonomievergroting van scholen biedt gouden kansen voor zulke lokale innovaties.

Lokale overheden, schoolbesturen en scholen zullen in de toekomst niet langer tot partnerschap gedwongen worden. Maar is een vrijwillig partnerschap, waarbij ook schoolbegeleidingsdiensten en opleidingen een rol spelen, niet eigenlijk te prefereren?.

december 2003