Jantine Kriens
Anne Frank

De school staat in een troosteloze buurt aan de rand van de stad. Grauwe betonnen muren en rondom bedrijven en sportterreinen. Eenmaal binnen word ik ook niet echt vrolijk: posters uit de jaren zeventig over autoreparaties en hier en daar hangen leerlingen over tafeltjes omdat zij straf hebben. In een piepklein kantoortje, zonder ramen,  moeten 5 mensen gebruik maken van drie computers en 2 bureaus.  Een leraar komt binnen om de Iftar maaltijd voor te bereiden en hij vertelt dat sommige leerkrachten geen zin meer hebben in dit jaarlijks terugkerende  evenement. De moord op Theo van Gogh heeft alles op zijn kop gezet. Ik dwaal door de school en kom in de bibliotheek terecht. Een jongen van een jaar of veertien zit ingespannen te lezen. Verstoord kijkt hij op als ik zachtjes naast hem ga zitten. “Wat lees je”, vraag ik. Hij kijkt me ernstig aan en vertelt me dat hij een boek leest over een Nederlands meisje dat in de oorlog is vermoord door de Duitsers. Ik vraag hem hoe het meisje heet en hij blijkt het dagboek van Anne Frank te lezen. Als ik doorvraag kan hij alle scènes uit het Achterhuis navertellen en levendig beschrijven hoe vervelend het moet zijn om met die tandarts op één kamer te slapen. Dan wordt hij weer ernstig en vertelt hoe erg het is dat Joodse mensen in de oorlog werden doodgemaakt. In de loop van ons gesprek realiseer ik me ineens dat hij het dagboek van Anne Frank volstrekt onbevangen heeft gelezen, zonder zich bewust te zijn van de loodzware lading van dit boek. Hij vindt het mooi, is erdoor geboeid en het heeft hem boos gemaakt. Maar uit niets blijkt dat hij beseft dat het boek een symbool is. Wat erg dat ik blijkbaar niet was voorbereid op de onbevangenheid van een veertienjarige Marokkaanse jongen.

december 2004