Jantine Kriens
Inleiding Amsterdam Deelraden

U hebt mij gevraagd vandaag een prikkelende inleiding te houden over integraal jeugdbeleid. Om eerlijk te zijn: eigenlijk werd ik bij het idee al moe. Integraal jeugdbeleid is inmiddels een soort verzamelnaam geworden voor nota’s waarin telkens van het ene beleid naar het andere beleid wordt verwezen tot niemand door de bomen het bos meer ziet. En in de praktijk zijn mensen onder de noemer van integraal jeugdbeleid zo blij en enthousiast over het feit dat ze bij elkaar zitten, dat je nauwelijks durft te vragen naar het waarom van dat bij elkaar zitten, laat staan dat je vraagt naar de resultaten van dat bij elkaar zitten. Daar heb ik een beetje genoeg van om u de waarheid te zeggen.

Toen ik ja zei tegen het verzoek om deze inleiding te verzorgen besloot ik dan ook om dit keer eens aan de andere kant te beginnen. Ik wil eerst weer eens scherp op het netvlies krijgen, samen met u, wat de staat van de jeugd is in uw stad.

Dat is in de eerste plaats natuurlijk de verjonging van de stad. Net als de andere grote steden maakt Amsterdam een vergroening door terwijl de rest van nederland vergrijst. Is dat een probleem? Ja voorzover de stedelijke voorzieningen daarop niet zijn toegesneden en ja omdat het landelijk beleid het drukker heeft met de vergrijzing dan met jeugdbeleid. Is de vergroening van de stad een kans Wat mij betreft wel. Amsterdam en Rotterdam zijn steden in transitie en jongeren zijn veel beter in staat om met overgangen om te gaan dan ouderen.

In de tweede plaats gaat die verjonging gepaard aan een verkleuring. Ook dat is een probleem. Niet dat kleurtje maar de diversiteit in achtergronden is op zijn minst een opgave. Onze samenleving is voor een deel nog ingericht alsof het vanzelfsprekend is dat je snapt waarom er openbaar en bijzonder onderwijs, dat er een scheiding van kerk en staat is, dat je je troep achter je opruimt en dat je elkaar helpt als dat nodig is. In werkelijkheid is dat echter allemaal helemaal niet meer vanzelfsprekend. Waarom houden we katholieke scholen in stand die geen enkele katholieke leerling meer hebben? En kan iemand nog uitleggen waarom we christelijke politieke partijen hebben, volledig door de overheid gefinancierd confessioneel onderwijs terwijl we toch een scheiding van kerk en staat hebben? Dat het niet meer vanzelfsprekend is om je troep op te ruimen bleek van de zomer toen het journaal meldde dat elke nacht een hoeveelheid troep van het strand wordt gehaald die gelijk is aan het vuil dat een gemeente van 40.000 inwoners produceert. En dat je elkaar helpt als het nodig is, is evenmin nog vanzelfsprekend, al was het maar omdat we elkaars taal niet spreken, elkaars omgangscodes niet begrijpen en in toenemende mate bang voor elkaar zijn. Vijfentwintig jaar geleden was ik leerkracht in deze stad. Ik gaf Nederlands aan dertig leerlingen tussen 12 en drieëntwintig die rechtstreeks uit Marokko, Turkije, Tunesië, Hong Kong en nog veel meer landen kwamen. Ik was daar niet op voorbereid evenmin als mijn collega’s. Ik wil drie ervaringen met u delen uit die periode, let wel ruim vijfentwintig jaar geleden! De eerste is een aanvaring die ik met Chinese leerlingen had. Ik herinner mij niet meer waar de ruzie over ging maar ik wilde het uitpraten. De meiden keken me niet aan en ik werd alsmaar bozer. Tot één van hen tegen mij zei dat ze me niet aan konden kijken omdat ze nu eenmaal geleerd hadden hun ogen neer te slaan bij een ouder persoon. Wat doe je dan als leerkracht. Accepteren dat dat nu eenmaal hun cultuur is en je eigen boosheid daarover onderdrukken of samen met hen proberen een manier te vinden waarop je van beide kanten een beetje water in de wijn doet. Het lijkt een klein probleem maar ik ben ervan overtuigd dat er ook vandaag nog steeds leerkrachten zijn die in hun eentje moeten uitvinden wat een adequate reactie is. De tweede ervaring was met een leerling die mijn portemonnee uit mijn tas had gestolen. Ik besloot naar de ouders te gaan in de hoop dat we samen een gepaste effectieve reactie konden bedenken. Ik werd gastvrij ontvangen met sloten marokkaanse thee en zoete koekjes. De vader leek me doordrongen van de ernst en ik vertrok met het idee dat hij beter op zou letten en dat ik haar een aantal dagen zou laten nablijven. De volgende bleek mijn leerling vol met donkerblauwe striemen op haar rug te zitten. Ik had het helemaal verkeerd ingeschat. De vader had het op zijn manier ernstig genomen en dat betekende voor hem een afstraffing met de riem. Ik voelde me diep schuldig  en heb nooit meer een ouder op die manier deelgenoot gemaakt van mijn zorgen over het gedrag van een leerling. De derde ervaring gaat over een leerling die opeens van houding veranderde. Ik kon goed met hem opschieten en opeens was dat over. Na veel duwen en trekken vertelde hij dat de Imam hem voor mij had gewaarschuwd. Als ongelovige zou ik naar de hel gaan en als hij teveel naar mij luisterde zou hij ook naar de hel gaan. Woedend was ik. Ik besloot met hem mee te gaan naar de koranschool waar hij elke dag les kreeg van de imam. Ik kreeg de schrik van mijn leven. In een donkere koude ruimte zaten jongetjes op hun knieën voor rijen banken uit de gymzaal. Het leken totaal andere kinderen dan mijn leerlingen. Ze zaten erbij alsof ze zich verontschuldigden voor hun aanwezigheid en reciteerden voor mij onbegrijpelijke teksten terwijl ik sterk de indruk dat ze er zelf ook niets van begrepen. Drie ervaringen van 25 jaar geleden en ik maak sterk dat je niet lang hoeft te zoeken naar leerkrachten, welzijnswerkers en hulpverleners die vandaag de dag nog precies dezelfde ervaringen hebben en er nog steeds niet op zijn voorbereid. Maar misschien is het nog wel erger dat ze er maar zo zelden over praten. In de leraarskamer lijk je al snel een looser als je over dit door ervaringen praat en in je opleiding gaat het meestal om algemeenheden  die je niet echt helpen om de specifieke situaties van alledag het hoofd te bieden. Ja, verkleuring van de stad is een immense opgave die nog lang niet is afgemaakt.

Een derde probleem is het opleidingsniveau van de ouders. In uw stad gaat het om 55% van de ouders die minder dan twee jaar lager onderwijs heeft gehad. Daarvan is maar 6% kind van autochtone ouders. Daarmee wijkt u overigens af van de Rotterdamse situatie waar driekwart van de ouders laag is opgeleid, waarvan 20% autochtone ouders betreft. Uit onderzoek blijkt telkens weer dat de meest voorspellende factor voor schoolsucces het opleidingsniveau van de ouders is. Tegelijkertijd moet ik daarbij aantekenen dat voor veel allochtone ouders en hun kinderen de theorie van verborgen talent opgaat. Velen van hen zijn laag opgeleid bij gebrek aan goed onderwijs of zelfs bij gebrek aan onderwijs. Ook het lage opleidingsniveau stelt u en uw instellingen voor een immense opgave. Waar kinderen van hoog opgeleide ouders ook van middelmatig onderwijs profiteren geldt voor kinderen van laag opgeleide ouders juist dat zij afhankelijk van goed onderwijs, dat ook nog is toegesneden op hun specifieke leerbehoeften. Bovendien zie je dat de school nooit in staat zal zijn om de ‘kennis van de wereld’ die kinderen van hoog opgeleide ouders als het ware vanzelfsprekend opdoen, over te dragen in de lestijd. Leerkrachten hebben dus collega’s nodig de kinderen meenemen de stad in, op museumbezoek gaan en die hen leren te leren van de rijkdom van de stad.

En alsof dat allemaal nog niet genoeg uitdaging is hebt u bovendien te maken met een aantal kinderen waarbij sprake is van individuele problemen en ouders voor wie draagkracht en draaglast in de opvoeding niet gelijk verdeeld zijn. Voor een deel gaat het dan om kinderen die én leer- en opvoedingsproblemen én van wie de ouders laag zijn opgeleid én van wie de ouders niet in Nederland zijn geboren.

Jeugdvraagstukken van de grote stad zijn voor een deel anders en altijd massiever dan daarbuiten. Dat vraagt dus om andere, aanvullende competenties van werkers en soms ook andere organisatievormen; er zijn immers zoveel professionals die met kinderen en jongeren werken. Toch is er ook een andere manier om de jeugdvraagstukken van de grote stad te kijken. Want waarom kijken mensen zo meewarig als ze het hebben over opgroeien in de stad. Onderwijsvoorzieningen in de stad laten een ongekende keuzevrijheid zien.De stad is een bron van kennis met musea, muziekvoorzieningen en de mogelijkheid om telkens weer een vreemde tegen te komen die je iets nieuws vertelt. De geschiedenis van de stad is een bron van kennis omdat alles al een keer is gebeurd, zij het in andere vormen. Tegelijkertijd leert de stad je over geschiedenis, over architectuur, over sport en horeca

Als het gaat om de jeugd zijn consultatiebureau’s en scholen voorposten van de samenleving. Prof. Schuyt heeft al in 1995 een mooie analyse gemaakt van waar het vaak mis gaat met kwetsbare jongeren en hun ouders. Hij introduceerde het begrip ‘amplificatie van ellende’: als het 1 keer is misgegaan tussen ouders en maatschappelijk instituut dan het zal het alle volgende keren alsmaar erger misgaan. Als de communicatie tussen consultatiebureauarts en ouder misloopt dan zal het contact met de leerkracht beginnen vanuit wantrouwen. Dat is iets om goed in onze oren te knopen bij een discussie over integraal jeugdbeleid. 

september 2003