Jantine Kriens
“Organiseer eenheid in verscheidenheid…”
Jantine Kriens, landelijk projectleider onderwijsachterstandenbeleid, is haar carrière in het onderwijs aan de basis gestart. Als leerkracht Nederlands werd zij eind jaren zeventig in het kader van de gezinshereniging geconfronteerd met Turkse en Marokkaanse leerlingen. Onderwijsachterstanden en het creëren van Onderwijskansen zijn haar dan ook niet vreemd. Voor Kriens gaat het bij achterstanden echter niet alleen om de allochtone leerling, maar ook om de autochtone leerling. ‘Onderwijsachterstanden heb je in verschillende vormen, het gaat erom dat kinderen gelijke kansen krijgen en dat verborgen talenten worden ontdekt. Ik vind dat de eigen kracht van leerlingen én leerkrachten te vaak is miskent, met het Onderwijskansenproject hebben we geprobeerd  hier verandering in te brengen. Er is ook winst geboekt in de sturing op de schoolomgeving. Om kansen van leerlingen daadwerkelijk te kunnen vergroten heb je anderen nodig, dit is iets waar je scholen niet alleen verantwoordelijk voor kunt houden”, aldus Kriens. 

Wat doet het Transferpunt Onderwijsachterstanden?

Het Transferpunt Onderwijsachterstanden is een samenwerkingsverband van de besturenorganisaties voor onderwijs, de VNG en het ministerie van OC&W. Het secretariaat is het uitvoerend bureau waar Kriens de leiding over heeft. Het transferpunt heeft de onderwijskansenactiviteiten van het voormalig PMPO. De opdracht van het transferpunt is echter breder: zorg ervoor dat schoolbesturen en gemeenten eigen verantwoordelijkheid nemen voor de doelstellingen van het landelijk beleidskader zodat scholen en hun bondgenoten optimale condities krijgen om die doelstellingen ook werkelijk te halen. OCenW financiert de basisformatie (naast Jantine Kriens 2 beleidsmedewerkers en een secretaresse). De VNG en de besturenorganisatie VOS/ABB hebben aan dit secretariaat een formatie toegevoegd. Samen zal men de komende tijd de beweging van de onderwijskansenoptocht verder uitbouwen en verdiepen. “We moeten ervoor zorgen dat alle betrokken partners op een goede manier met elkaar in gesprek komen. Op dit moment zijn we bezig met het scherp krijgen van de verantwoordelijkheden. Het is van essentieel belang dat de VNG en de besturenorganisaties de doelstellingen van het landelijke beleidskader naar de eigen achterban weet te vertalen”. Vanuit het Transferpunt is men dan ook druk bezig met de voorbereiding op deze samenwerking, voor Kriens is het zaak een eenheid in verscheidenheid te organiseren. “De verschillende besturenorganisaties moeten het thema onderwijsachterstanden en de doelstellingen van het landelijke beleidskader heel serieus gaan nemen en kijken wat nodig is voor de scholen om de doelstellingen goed uit te kunnen voeren. Hetzelfde geldt voor de VNG, maar tegelijkertijd moet je dit ook samen doen. Dit partnerschip krijgt steeds meer vorm en inhoud”. Alle drie de partijen zijn in kaart aan het brengen wat een ieder aan het partnership kan bijdragen en wat verbeterd moet worden. “We moeten nu scherp krijgen waar ieders verantwoordelijkheden liggen en wat we samen kunnen doen. Rond april 2003 maken we de balans met elkaar op en kunnen we benoemen hoe sterk de besturenorganisaties en de VNG zijn op dit thema. We zullen dan een antwoord hebben op de vraag of het verstandig is om de samenwerking te blijven behouden of dat we elkaar voortaan als drie sterke partijen gaan ontmoeten. Welk antwoord er gekozen wordt zal dus ook bepalen of het Transferpunt blijft bestaan of niet. Het voortbestaan is voor mij niet het allerbelangrijkste, als er maar verantwoordelijkheid ten aanzien van onderwijsachterstanden wordt genomen!”.

Laat de OK aanpak van wezenlijk belang zijn

De Onderwijskansenaanpak heeft er voor gezorgd dat er op de werkvloer veel beweging is ontstaan. Scholen hebben verantwoordelijkheid genomen en zijn in staat gebleken om zichzelf kritische vragen te stellen. “Het feit dat je er als school nu toe doet is in mijn ogen toe te schrijven aan de werkers. Soms zijn zij gesteund door de gemeente, soms door het bovenschools management. Maar het zijn vooral de mensen in de school die Onderwijskansen inhoud hebben gegeven”. Uit onderzoek van het SCO Kohnstamm instituut en Research voor Beleid blijkt dat de schoolbesturen een vergelijkbare beweging aan het maken zijn. Zij nemen steeds meer eigen verantwoordelijkheid en zetten zich in voor zaken die een schoolteam niet kan oppakken. “Een school kan geen personeelsbeleid maken of ervoor zorgen dat de beste directeur op de ingewikkeldste school komt. Besturen geven richting aan de eigen verantwoordelijkheid en dat is een belangrijke stap voorwaarts”. Kriens merkt op dat deze beweging nog niet voor alle beleidsmakers en gemeenten geldt. Het is voor haar duidelijk dat er in de komende periode nog vele stappen gezet moeten worden. Zij maakt zich hier ook zorgen over. “Wanneer we er niet  in slagen om af te stemmen en verantwoordelijkheden te benoemen, ben ik bang dat we terugvallen in een schijnwereld. Dan hebben we een zogenaamd stevige werkwijze ontwikkeld, zonder dat deze een wezenlijke betekenis heeft voor de scholen en de leerkracht in de klas. Ik ben er inderdaad nog niet gerust op dat het allemaal vanzelf gaat werken”, aldus Kriens.

In kaart brengen van het onderwijsachterstandenbeleid

De doelstellingen van het landelijke beleidskader zijn behoorlijk ambitieus, scholen moeten de komende periode heel wat waar gaan maken. Dit kun je niet alleen, het Transferpunt Onderwijsachterstanden zet voor scholen op de agenda waar de  problemen zitten. Zo wordt op dit moment middels een elektronische enquête scholen gevraagd hun vraagstukken te benoemen. Het organiseren van netwerkbijeenkomsten en startconferenties geeft Kriens zicht op de praktijk. “We willen fungeren als een geweten en daar heb je de geluiden uit het veld voor nodig. Voor ons is het een uitdaging om in de gesprekken met andere partijen deze gewetensfunctie als zodanig op de agenda te zetten. Daarnaast ben je vanuit het samenwerkingsverband ook een aanjager naar de praktijk toe. Zo zou er een start moeten worden gemaakt met het overzichtelijk maken van alle projecten die landelijk worden aangeboden”. Scholen hebben het gevoel te worden overspoeld met projecten en ontwikkelingen, terwijl Kriens vindt dat men deze projecten moet zien als noodzakelijk bouwstenen voor de verdere schoolontwikkeling. “Er zijn veel landelijke activiteiten maar we moeten duidelijk maken dat scholen hier ook hun eigen maat in kunnen kiezen. Projecten hoeven niet op je af te komen, maar pak een stuk dat bij jou past. Door ontmoeting en uitwisseling te organiseren maken scholen kennis met alle mogelijkheden die er zijn. Op thema’s uit het landelijk beleidskader valt er veel te organiseren, denk maar aan de VVE en het taalbeleid, maar we kunnen ook op lokaal niveau daarin van betekenis zijn. Zo zijn er scholen die sociale competentie als Onderwijskansenthema hebben gekozen. Wat wij dan doen is onderzoeken waar dat plaatsvindt en welke meetinstrumenten er zijn ontwikkeld. Hier kunnen anderen weer gebruik van maken, zo help je scholen de goede vragen te stellen. We zijn geen pedagogisch instituut of ondersteuner, maar brengen in beeld wat er is”.

De onderwijspraktijk moet leren trots te zijn

Schoolleiders en beleidsambtenaren ontmoeten elkaar drie keer per jaar tijdens de  regiobijeenkomsten. Kriens merkt dat deelnemers heel graag van elkaar willen leren. “De kleinere gemeenten weten meer van zichzelf waar de beperkingen liggen en zijn wellicht ook meer afhankelijk van kennis die elders is opgedaan. Zij zijn enthousiast aan het uitwisselen, maar ook los van onze bijeenkomsten merken we dat men elkaar opzoekt. Men komt met eigen thema’s en laten aan elkaar de voorbeelden zien die werken. De wil om te leren en uit te wisselen is duidelijk aanwezig”.  Scholen moeten soms nog wel over de streep worden getrokken, er is nog te vaak het gevoel dat het onbelangrijk is wat er gebeurt. Niets is minder waar, trots zijn op je school is een wezenlijk onderdeel van Onderwijskansen geworden. “Scholen nemen dagelijks beslissingen voor problemen die zich voordoen. Door scholen uit te dagen en hen het belang van hun werk te laten benoemen neem je het minderwaardigheidsgevoel weg. Bij het OK-project is geprobeerd om deze uitwisseling als methodiek te ontwikkelen, want het doet er toe wat je op de werkvloer doet”. Kriens ziet dat er een duidelijke kentering aan het ontstaan is. Twee jaar geleden bereikten het Transferpunt met veel pijn en moeite slechts 70 schoolleiders voor een themabijeenkomst. Momenteel schrijven ruim 200 schoolleiders zich in en moeten mensen soms teleurstellen.

Zijn er verschillen in de vier grote steden?

Het Onderwijskansenproject loopt in de vier grote steden al bijna drie jaar. Er zijn volgens Kriens verschillende processen in gang gezet, hierdoor zijn projecten niet gemakkelijk met elkaar te vergelijken. Zij heeft de indruk dat men in Amsterdam op voorhand het project in heeft gezet als instrument tot een algemene kwaliteitsverbetering. “Men heeft zich niet altijd gehouden aan de selectiecriteria van meer dan 50% van de doelgroepleerlingen. Onderwijskansen is ingezet om de kwaliteit van de onderpresterende scholen te verbeteren. Dat is toch een slag anders dan de bredere insteek van Onderwijskansen. Kwaliteitsverbetering is een onderdeel van OK, maar ingebed in een bredere ambitie”. De schoolbesturen nemen in Amsterdam een duidelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van de kwaliteitsverbetering, dit wordt dan ook stedelijk opgepakt. Tegelijkertijd worstelen de scholen met een werkelijkheid waarbij de omgeving zoals Bredeschoolachtige activiteiten vanuit de deelraden gestuurd wordt. “Ik constateer dat besturen en deelraden elkaar nog maar mondjesmaat ontmoeten. Dat maakt integraal denken lastig”.

In Den haag is het Onderwijskansenproject tot een sociaal weefsel verworden. “Er worden op lokaal niveau netwerkbijeenkomsten georganiseerd, de OK-scholen zijn een inspiratiebron voor andere scholen. Men zoekt elkaar op en ik zie dat men in hun Onderwijsachterstandenbeleid een poging doet om een systematiek te ontwikkelen waarin doelstellingen lokaal worden geoperationaliseerd”. Het Onderwijskansenproject in Utrecht is kleiner van opzet, maar ook hier zet men interessante stappen. “Op het Kanaleneiland is er een uitwisseling tussen de scholen ontstaan. Er worden praktische stappen gemaakt die soms behoorlijk vergaand zijn en die ook wel weer aansluiten op  landelijke beleidsontwikkelingen, zoals de onderwijsraad”. Ook in Rotterdam ziet Kriens steeds meer beweging ontstaan. Rotterdam heeft echter  te maken met concurrerende verhoudingen tussen de wijkaanpak van de OnderwijsKansenZones (OKZ) en de schoolspecifieke aanpak van het Onderwijskansenproject. “Er is van beide kanten absoluut  de ambitie om dat goed op elkaar af te stemmen, maar daar moet men nog wel wat actiever in worden”. Onderwijskansen is volgens Kriens geen apart project, het is een instrument dat de regie op deelgemeenteniveau preciezer in kaart brengt. “Alleen dan kun je ondersteuning voor de specifieke scholen organiseren, maar dit is een ingewikkeld proces. Het zorgt ervoor dat er allerlei competentievragen naar voren komen en men moet durven delegeren”.

Ok als peiler van het Onderwijsachterstandenbeleid

Voor scholen blijft het Onderwijskansenproject lastig te communiceren. Wat Kriens betreft moeten scholen het hebben over de inhoud van hun onderwijs en niet over de samenstelling. In de grote steden gaat dat steeds gemakkelijker, omdat er ondertussen al zoveel zwarte scholen zijn, dat verschillen minder opvallen. Voor de middelgrote gemeenten is dat lastiger, er zijn scholen die qua samenstelling wezenlijk afwijken van de wijkbevolking. “Het positief neerzetten van je school is dan lastig, want er is in dit geval wel degelijk een segregatieprobleem”. Hoe hard de school ook investeert in kwaliteit, het begrip ‘zwart’ blijft tegen je werken. Er zijn genoeg voorbeelden van scholen die de beeldvorming niet hebben kunnen doorbreken. “Wanneer een school door deze situatie moet sluiten, kun je dat zien als zelfregulatie in het systeem van de vrije schoolkeuze. Want ook allochtone ouders willen het beste voor hun kind en kiezen bewust voor een witte school. Maar voor de school zelf is dit een tragische ontwikkeling, want men heeft zich juist gericht op kwaliteitsverbetering. Daar hebben we in Utrecht, Deventer en Haarlem de afgelopen periode genoeg tragische voorbeelden van gezien”.

Het Onderwijskansenproject is een onderdeel van het Onderwijsachterstandenbeleid. Er zijn geluiden om niet meer te spreken over achterstanden, maar over kansen. Kriens vindt dit geen goede ontwikkeling. “Het zou niet goed zijn om alles maar een kans te benoemen, het is geen mantra met allerlei goede bedoelingen. We moeten ons blijven dwingen scherp te krijgen dat het gaat om kinderen die talenten hebben, maar deze door omstandigheden niet tot ontwikkeling kunnen brengen. Ik vind dat we ons hier als  samenleving bewust van moeten blijven. Wanneer we alleen maar gaan denken in termen van onderwijskansen, is het straks iets wat over individuele kinderen gaat. Ons werk moet ten allen tijde blijven gaan over de maatschappelijk context die maakt dat die individuele kinderen zich niet volledig kunnen ontplooien”.

Mirjam Berkhout, december 2002