Jantine Kriens
Inleiding Achtkarspelen

De eerste keer dat ik als bewoner van de grote stad Rotterdam in deze omgeving verzeild raakte was ergens in het begin van de jaren 90. Ik had een paar jaar als leerkracht Nederlands in een Internationale schakelklas gewerkt en was alweer ruim een decennium werkzaam als beleidsmedewerker onderwijsvoorrangsbeleid bij de gemeente Rotterdam. Onze toenmalige wethouder wilde een bezoek brengen aan de gemeente Ooststellingwerf, zogenaamd om kennis te maken met de onderwijsvoorrangsaanpak. Hij vroeg mij hem te vergezellen. Stiekem vroeg ik mij af waarom ik in godsnaam naar zó’n uithoek zou gaan om iets te leren over onderwijsvoorrang; achterstanden waren toch vooral iets van de stad en van allochtone leerlingen!

Na een lange autorit arriveerden we in Ooststellingwerf. De gebruikelijke ontvangst door de wethouder en vervolgens een schoolbezoek. Ik heb het beeld van die school nog steeds op mijn netvlies staan: een mooi klein schoolgebouw zoals een schoolgebouw hoort te zijn, een beetje zoals in die prachtige documentaire ‘etre et avoir ‘die iedereen afgelopen zondag heeft kunnen zien op de tv. Achter de school uitgestrekte weilanden met koeien zoals koeien horen te zijn. En in de school twee klassen met allemaal blonde kindertjes met blauwe ogen en rode wangen. Dat beeld bevestigde mijn vermoeden dat van onderwijsachterstanden nooit sprake kon zijn. Ik luisterde dus uiterst sceptisch naar het verhaal van de schooldirecteur.

Hij vertelde over leerlingen die niet meer zoals vroeger door hun broers en zusjes worden opgevoed omdat de gezinnen zoveel kleiner zijn geworden, Hij vertelde over kinderen die op vierjarige leeftijd nog maar heel weinig woorden toto hun beschikking hebben, gewoon omdat er niet zoveel mensen waren met wie zij leerden praten. En terwijl hij aan het praten was, ging er een wereld voor mij open. Mijn oogkleppen vielen af en beschaamd realiseerde ik me hoe arrogant het is om te denken dat onderwijsachterstanden alleen een probleem van de grote stad is. Ik leerde daar in Appelscha te zien dat achterstanden van alle tijden en alle regio’s zijn. Ik leerde dat onderwijsachterstanden nauw zijn verbonden met de geschiedenis van een streek, de sociaal economische ontwikkeling en het zelfbeeld van mensen die er wonen.

Dat beeld van Ooststellingwerf kwam me goed van pas toen ik jaren later landelijk projectleider voor het onderwijsachterstandenbeleid werd. Wel leerde ik nog scherper te zien hoe onderwijsachterstanden is geworteld in de de streek. In Zeeland zag ik de streng gereformeerde scholen die het kinderen moeilijk maakten hun talenten te ontwikkelen omdat de gemeenschap bang was dat zij zich dan van het geloof af zouden wenden. Ik zag de voormalige mijnwerkersdorpen in Limburg. Soms voelde je daar het cliche dat een crisis ook een kans betekent. Met de ondergang van de mijnen ontstond het besef dat onderwijs een weg is om alternatieven aan te boren en sociaal economische steun maakte het mogelijk voor jongeren om ook in alternatieve beroepen werk te vinden. Niet dat in Limburg de onderwijsachterstanden zijn verdwenen want je kunt de huidige onderwijskansenscholen nog steeds herleiden tot de oude mijnwerkersgebieden.

En in Friesland leerde ik Harkema (een beetje) kennen. In het voorjaar van 2004 brachten we met het voltallig transferpunt onderwijsachterstanden een bezoek aan Harkema om ter plekke de betekenis van het onderwijskansenbeleid te zien. Ook dat bezoek staat me nog scherp voor de geest. Twee dingen zijn blijven hangen. Het eerste is de uitspraak van één van jullie schooldirecteuren dat onderwijsambities ook niet zo logisch als je op jonge leeftijd zonder probleem in de bouw veel geld kunt verdienen. Het tweede is dat deze streek een lange geschiedenis kent in de strijd voor sociale rechtvaardigheid. Bij het afscheid kregen we een boekje mee over een onderwijzer uit deze streek die een belangrijke rol speelde in de verbetering van het onderwijs, de huisvesting en de sociale voorzieningen. In dat boekje beschreef hij zijn eigen leven en hoe zijn gevoel voor sociale rechtsvaardigheid rechtstreeks voortkwam uit zijn eigen levensgeschiedenis. Ik las het boekje in de trein terug naar Rotterdam. Bij de voorbereiding van deze middag heb ik uiteraard geprobeerd het weer te vinden maar helaas…ik heb het weggegeven. Hopelijk hebben jullie nog een exemplaar ergens. Ik weet zelfs zijn naam niet meer.

Inmiddels is het een jaar verder. Het transferpunt onderwijsachterstanden bestaat niet meer, er zijn zeer fundamentele veranderingen aangekondigd in het onderwijsachterstandenbeleid en onderwijskansen lijkt alweer een woord uit het verleden.

Onderwijsachterstanden is ‘uit’. Niet dat men zich geen zorgen meer maakt over het onderwijs in Friesland en in Rotterdam. Maar op de één of andere manier is er iets fundamenteel veranderd in de blik waarmee we kijken naar achterstanden van leerlingen. De ‘oude ‘blik is dat kinderen van laag opgeleide ouders minder van het gewone onderwijs profiteren dan kinderen van hoger opgeleide ouders en dat dat andere eisen stelt aan het onderwijs. De nieuwe blik is dat je al op jonge leeftijd moet nagaan of kinderen een achterstand hebben en vervolgens moet je daar de juiste zorg voor bieden. De oude blik is er één die de emancipatie van groepen die kampen met sociaal economische achterstanden tot doel heeft, de nieuwe blik heeft vooral  betrekking op goede zorg voor individuele leerlingen.

Terwijl het in mijn ogen om aanvullende manieren van kijken gaat, lijkt het in de publieke opinie zo langzamerhand te gaan om elkaar uitsluitende manieren van kijken. Of preciezer misschien, emancipatie van achtergestelde groepen is een zaak van individuen en geen verantwoordelijkheid van het onderwijs.

Nou ben ik de eerste om toe te geven dat het onderwijs de samenleving niet kan veranderen. En toch geloof ik dat onderwijs -  of beter leerkrachten – verschil kan maken in het leven van een kind. Als je thuis geen boeken hebt dan kan de school je toch inleiden in een wereld zonder grenzen die je vanuit je plekje op de bank je leven lang kunt bereizen. Dát verschil maken is meer dan de juiste zorg bieden.

De afgelopen jaren is veel kennis vergaard over de aard van onderwijsachterstanden in Friesland, onder andere door de Friese Akademie. Zo zijn bijvoorbeeld de scholen in Limburg en in Friesland met elkaar vergeleken. Opvallend is namelijk dat Limburgse leerlingen hogere leerprestaties hebben dan Friese kinderen. Twee verschillen tussen het onderwijs in Friesland en Limburg springen in het oog. De eerste is het feit dat in Limburg gemiddeld dertig uur meer rekenonderwijs wordt gegeven. De tweede is dat leerkrachten in Friesland gemiddeld 10 jaar langer in het onderwijs werkzaam zijn.

Uit het onderzoek van de Friese Akademie kwamen vier factoren die van invloed zijn op de lage leerprestaties in Friesland. De eerste is het lage opleidingsniveau van de ouders. Friese ouders zijn van oudsher dikwijls laag opgeleid en dat heeft effect op de mate waarin hun kinderen profiteren van het onderwijs. Gemiddeld genomen zie je dat kinderen van laag opgeleide ouders niet alleen met een achterstand beginnen (minder woordenschat bijvoorbeeld), maar vervolgens ook steeds verder achterop komen omdat de manier van lesgeven allerlei kennis veronderstelt die ze zich nog niet eigen hebben gemaakt.

Het tweede verschil is het ambitieniveau van ouders, leerlingen én leerkrachten. De oer Nederlandse uitspraak ‘doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’ is misschien wel uitgevonden hier in het hoge Noorden. Er zit natuurlijk best wat in omdat het je met beide benen op de grond houdt. Maar het kan ook negatief werken omdat ambitie ook een drijvende kracht is om je verder te ontwikkelen, nieuwsgierig te zijn naar wat anders is en te werken vanuit het besef dat het morgen beter kan. Bovendien is het een houding waarmee je soms een veel te lage dunk van jezelf hebt. Het is me de voorbije jaren dikwijls overkomen dat ik de meest interessante initiatieven zag waarvan de mensen in de scholen zelf vonden dat ze eigenlijk niets bijzonders deden. Dingen die in de randstad soms van de daken worden geschreeuwd, worden geschreeuw, worden in Friesland niet eens opgemerkt.

Ten derde zijn de grote afstanden tussen voorzieningen een belemmerende factor. Ik kan me best voorstellen dat je als ouder drie keer achter je oren krabt als je kind veel verder moet fietsen om een school voor HAVO/VWO te bezoeken. En als je dat dan ook niet zo belangrijk vindt voor de toekomst van je kind, dan is de keuze voor de dichtstbijzijnde school snel gemaakt. De vierde factor heeft betrekking op de taalachtergrond van Friese kinderen. Onder dat laatste zit en discussie die ik nu maar even laat voor wat ie is.

Het geheel overziend is het niet zo moeilijk om een ‘onderwijsachterstandenagenda’voor het onderwijs in deze streek neer te zetten:

  • Voer een personeelsbeleid dat ruimte biedt aan jonge leerkrachten, aan vernieuwing, maar ook aan stabiele teams;
  • Vergroot de effectieve leertijd, met name als het gaat om rekenen;
  • Voorkom voortijdig schoolverlaten
  • Zorg dat het elan terugkeert, op scholen, bij ouders en in de wijdere omgeving

Maar de opmerking van die basisschooldirecteur vorig jaar indachtig, kan dat niet het enige zijn. Ook gemeentebestuur en provincie zullen zich in moeten spannen. Als de sociaal economische structuur niet verandert, zijn ambities ogenschijnlijk niet aantrekkelijk. Wie ambitieus is zal moeten verdwijnen uit de regio om ambities waar te maken.

Maar een algemene agenda is nog geen schoolspecifieke agenda. Met de onderwijskansenaanpak hebben we geleerd dat scholen verschillen en dat je per school goed in kaart moet brengen wat sterke en zwakke kanten, kansen en bedreigingen zijn. Dat je niet alles tegelijk moet proberen te verbeteren maar scherpe keuzes moet maken. En dat de school het niet alleen kan en samenwerking moet zoeken met ouders en instellingen in de omgeving. In het de onderwijskansenaanpak hebben we bovendien geleerd dat onderwijsachterstandenbeleid niet van de gemeente óf het schoolbestuur is. De onderwijskansenaanpak heeft alleen kans van slagen als beiden hun verantwoordelijkheid nemen.

Het ziet ernaar uit dat de fakkel van het onderwijskansenbeleid de komende periode moet worden overgenomen door de schoolbesturen. Zorg er ook in Achtkarspelen voor dat het vuur niet uitgaat. Er is alle reden, juist hier om als schoolbesturen en gemeente ook in de komende periode intensief samen te werken, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid.

Maak afspraken over onderwijskansenplannen per school. Waar de uitvoering het niveau van de school te boven gaat, bindt het bestuur zich aan steun voor de uitvoering (denk bijvoorbeeld aan personeelsbeleid). En waar de uitvoering de mogelijkheden van het schoolbestuur te boven gaat, bindt de gemeente zich aan steun voor de uitvoering (vve bijvoorbeeld of interventies in het voorzieningenniveau)

Als je niet meer samen móet werken moet je het in het belang van je leerlingen in ieder geval wíllen! 

Ik wens jullie veel succes!

16 maart 2005