Jantine Kriens
Zaandam

Dit is een brief, voorgelezen door Sanne Vreugdenhil , beleidsmedewerkster van het transferpunt. Ik was graag zelf bij jullie geweest om een inleiding te houden. Maar helaas….

Weken geleden belde Mariet mij met de vraag of ik misschien een verhaal in Zaandam wilde houden bij gelegenheid van haar afscheid. Ze reageerde wat verbaasd dat ik meteen enthousiast ja antwoordde. We raakten in een goed gesprek verwikkeld en stelden een datum vast. Maar op de één of andere manier is er iets misgegaan met die datum. In mijn agenda stond vrijdag 12 december. Dat leek me een goed moment zo aan het einde van de werkweek. Grote schrik toen uit de uitnodiging bleek dat het om donderdag 11 december ging. Donderdag is namelijk de dag van de raadsvergadering in Rotterdam en als gemeenteraadslid hoor ik daar aanwezig te zijn. Eerst hoopte ik nog dat ik voor 1 keer kon spijbelen. Maar wie de afgelopen weken de kranten heeft gelezen, zal begrijpen dat dat er niet in zit. Het Rotterdamse college heeft een plan geschreven om de instroom van ‘kansarmen’ te reguleren en dat wordt a.s. donderdag in een plenair debat besproken. Ik ben woordvoerder en kan mijn fractiegenoten onmogelijk in de steek laten. Soms zou ik willen dat ik mezelf in tweeën kan splitsen omdat je met een combinatie van politiek en werk altijd wel iemand in de steek laat.

Via deze weg probeer ik in ieder geval in woord bij jullie te zijn. En als het gaat om kennis over de ontwikkelingen in het onderwijsachterstandenbeleid dan hebben jullie in Sanne iemand die van alles op de hoogte is.

Om een paar redenen hoefde ik niet zo lang na te denken over de vraag van Mariet. De eerste  is dat we als transferpunt in deze chaotische tijd graag in steden zijn. Dat helpt ons om voeling te houden met waar het werkelijk om gaat en we kunnen de mensen van scholen, besturen en gemeenten voorzien van informatie. De tweede reden is dat ik in Zaandam ben opgegroeid. Juist zo’n afscheid zou mij de gelegenheid bieden om een verbinding te leggen tussen het onderwijsachterstandenbeleid en mijn eigen opgroeien in Zaandam. Dat moet je niet te vaak doen maar het leek me in dit geval wel erg leuk.

Ik heb begrepen dat mijn lagere school, de Europaschool in Zaandam, inmiddels een Islamitische school is geworden. Dat heeft een interessante symboliek. 

Maar laat ik beginnen bij het begin. Ik ben geboren in een rood gezin met alles erop en eraan. Mijn ouders zijn typische voorbeelden van de emancipatie van autochtone arbeiders, groot geworden in de toenmalige arbeidersjeugdcentrale, de jongerenorganisatie van de ‘rode beweging’.. Ik ben in Rotterdam geboren, maar de loopbaan van mijn vader maakte verhuizing noodzakelijk naar Zaandam, waar hij in 1960 bedrijfsleider werd van het Dagblad voor de Zaanstreek, de Typhoon. Tijdelijk woonden we boven drukkerij Stuurman, achter een oud Zaanse gevel aan de westzijde (ik geloof nummer 37). Ik leerde lezen en schrijven in de eerste klas van de Europaschool en van de typografen van de Typhoon leerde ik in spiegelbeeld lezen. Dat was nog de tijd van loodzetten en een grote werkbank (het steen) waar de loden letters werden opgemaakt in artikelen en in pagina’s. Een paar straten verderop was de rotatiedrukkerij, inmiddels  al weer lang geleden verhuisd naar Haarlem. Elke zondagavond ging ik met mijn vader de loodpotten in de zetterij aansteken. Terwijl loodzetten allang tot de oude ambachten behoort, kan ik de geur van lood nog steeds oproepen.

Het huis aan de westzijde was tijdelijk en inmiddels werd in Poelenburg het ene na het andere huis gebouwd. Aan de Zuidervaart kochten mijn ouders hun eerste eigen huis. De prijs was 16.000 gulden en dat was een ongelooflijk kapitaal. Je leefde nog een beetje in de polder, want een groot deel van de wijk was nog in aanbouw. Ik kan me nog goed herinneren hoe rijk we ons voelden. Urenlang liepen mijn broertje en ik de trap op en af om naar elkaar te roepen. Volgens mij deden we dat ook nog met een bekakt stemmetje omdat we dat vonden passen bij zo’n rijk huis. Een jaar of tien geleden ben ik nog eens langs gereden en ik kon me niet meer voorstellen dat we in dat huis met twee volwassenen en drie kinderen leefden.

Toen wij in Poelenburg kwamen wonen, was de Europaschool nog in aanbouw. Eerst zaten we nog een half jaar in een noodgebouw bij de Vijfhoek. Ik weet niet hoe dat later is gegaan, maar in die beginperiode wilde de Europaschool haar naam eer aandoen. Er was veel aandacht voor Europa en we werden een beetje opgevoed als wereldburgers. Er was een onzichtbaar verschil tussen de laagbouw en de hoogbouw. Als je in de laagbouw woonde speelde je niet met de kinderen uit de hoogbouw en andersom.  Grietje kwam uit de hoogbouw en Grietje werd heel erg gepest omdat ze de dingen anders deed dan wij. Zoveel jaren later kan ik me nog verschrikkelijk schamen voor het feit dat ik een keer in een grote groep haar naam scandeerde over het schoolplein. Ik schaamde  me op dat moment maar pas veel later heb ik me gerealiseerd waarom. Grietje was anders en Grietje werd uitgesloten. En wat ik als individu nooit in mijn hoofd zou halen, deed ik wel als onderdeel van een groep. Ik heb geen idee hoe het Grietje is vergaan, ik weet zelfs haar achternaam niet meer. Of de leerkrachten Grietje verdedigden weet ik ook niet meer en evenmin of we het later onderling of in de klas nog besproken hebben. En toch is het een herinnering die in mijn geheugen staat gegrift.

Achter ons woonde een orthodox gelovig gezin. Daar mocht je niet binnen spelen en ik geloof dat mijn ouders ook liever niet hadden dat ik met die kinderen speelde. Naast ons woonden mensen uit Oostzaan die duiven hielden in het kleine slaapkamertje. Een blok verderop woonde de moeder van Rob Stolk, één van de eerste provo’s en daar sprak de hele buurt schande van. En er was ook een gezin zonder vader dat heel veel plezier kon maken.   In de zomer zat de moeder in mijn herinnering altijd buiten met een grote pan aardappelen om frieten van te maken. Op de één of andere manier had ik het idee dat mijn ouders liever hadden dat ik afstand hield. Achteraf kan ik zien dat zij zich onderscheidden van de omgeving omdat ze ambities hadden met hun kinderen (en met zichzelf). Er werden subtiele aanwijzingen gegeven over de kinderen met wie je wel en niet speelde en over de gezinnen die wel en niet ‘deugden’. De gezinnen die ‘deugden’ waren degenen met dezelfde ambities.

Aan het einde van de basisschool werd mavo geadviseerd ondanks een goede toets (dat was vast nog geen cito-toets). Argument van de directeur was dat ik hoi zei als we gingen tekenen en bah als we gingen rekenen. Mijn ouders vonden dat geen goed argument en lieten me toelatingsexamen doen voor het Zaanlands Lyceum. Pas later realiseerde ik me hoe belangrijk het is dat je ouders voor je opkomen

Pas op het Zaanlands Lyceum ontdekte ik dat er nog weer hele andere gezinnen waren. Kinderen van artsen en kinderen van de Zaanse fabrikanten: Bruynzeel en Honig bijvoorbeeld.  Toen ik gymnasium ging doen werd het buitenstaandersgevoel gevoel nog sterker. Ik was de enige in de klas van wie de ouders niet hadden gestudeerd. Ik kwam in huizen met rijen boekenkasten en aparte muziekkamers. Mijn vader had als kind graag gelezen maar de boeken in de kamer bleven beperkt tot de arbeiderspersserie met jan Mens, Willy Corsari en A.M. de Jong (boeken waar ik overigens van heb genoten). En mijn moeder had graag viool willen studeren (is ook heel muzikaal) maar er was bij haar thuis geen geld voor vioolles, laat staan voor een viool.

Het verschil in achtergrond maakt je soms onzeker. Je hebt het gevoel dat er allerlei ongeschreven wetten zijn die je niet kent terwijl men wel van je verwacht dat je je eraan houdt. Er werden door mijn vrouwelijke klasgenoten ‘partijtjes’ georganiseerd en ‘theevisites’ en ik voelde me vooral opgelaten. Het is opnieuw achteraf dat ik me realiseer dat je van die buitenstaanderspositie ook een kracht kunt maken. Ik keek ernaar en probeerde mijn eigen weg te vinden. Soms lukte dat en soms nam ik de verkeerde afslag

Zaandam was mijn eerste leerschool en ik was vandaag graag even gaan kijken in Poelenburg. Ik ben ervan overtuigd dat er ook nu gezinnen zijn die ambities hebben met hun kinderen en dat kinderen nog steeds subtiele aanwijzingen krijgen over met wie je wel en met wie je niet mag spelen. En er zullen ook nu kinderen opgroeien die van de positie van buitenstaander hun kracht weten te maken. Ik ben benieuwd of ze op de op de Islamitische school nog over Europa leren en of ze nog steeds denken dat je niet te lang door moet leren als je hoi zegt tegen tekenen en bah tegen rekenen. Voor mij gaat onderwijsachterstandenbeleid over die klassieke emancipatieopdracht waar ik zelf een product van ben.

Al dertig jaar wordt er beleid gevoerd om onderwijsachterstanden te voorkomen en te bestrijden. Het begon met stimuleringsprojecten in de grote steden. In Amsterdam was dat het innovatieproject van Co van Calcar en in Rotterdam het project Onderwijs, sociaal milieu van Grandia. Eind jaren zeventig begon de populatie van scholen in de grote steden te veranderen als gevolg van gezinshereniging. Begin tachtig werden daar maatregelen voor genomen met het minderhedenbeleid in het onderwijs. Onderwijs in het Nederlands als tweede taal, onderwijs in eigen taal en cultuur en intercultureel onderwijs waren de beleidssporen. Het toenmalige motto ‘integreren met behoud van eigen taal en cultuur’is in een karikatuur veranderd. Er zijn zelfs mensen die denken dat de kinderen in die tijd helemaal geen Nederlands hoefden te leren. Zoals er ook mensen zijn die denken dat Islamitisch onderwijs geen Nederlands onderwijs is.

Het onderwijsvoorrangsbeleid deed een poging om het minderhedenbeleid en het stimuleringsbeleid met elkaar te verzoenen. Dat was ook logisch want in de werkelijkheid zag je dat autochtone kinderen van laag opgeleide ouders de klasgenoten waren van de kinderen van nieuwkomers. In het onderwijsvoorrangsbeleid werkten school en omgeving in onderwijsvoorrangsgebieden samen aan het bestrijden en voorkomen van onderwijsachterstanden. Jullie hebben daar in Zaandam een goede traditie in.

In 1998 werd het onderwijsachterstandenbeleid gedecentraliseerd naar de gemeenten en op dit moment zitten we aan de vooravond van een structuurwijziging waarin de autonomie van schoolbesturen uitgangspunt is en de gemeenten zich terugtrekken op de voorschoolse educatie en de regierol in het integraal jeugdbeleid.

De vele structuurwijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid hebben te maken met één van de ingewikkelde vraagstukken van het onderwijsachterstandenbeleid; voorkom en bestrijd je onderwijsachterstanden die het gevolg zijn van een laag opleidingsniveau van de ouders door onderwijskundige maatregelen of door interventies in het gezin of door omgevingsactiviteiten. Zoals zo vaak gaat het natuurlijk om een mix van alledrie. Je kunt heel veel winst boeken door je onderwijs toe te spitsen op de specifieke leerbehoeften; woordenschatontwikkeling, kennis van de wereld, gestructureerd onderwijs enzovoort.  Maar ouders die weten wat er gebeurt op de school van hun kinderen en daar vanuit hún mogelijkheden steun aan bieden, dat helpt natuurlijk ook. Al is het waar dat je het opleidingsniveau van de ouders niet in korte tijd kunt verhogen. En projecten als verlengde schooldag bieden de mogelijkheid om de leertijd te verlengen en kennis van de wereld ook buiten het schoollokaal op te doen. Voorwaarde is natuurlijk wel dat al die activiteiten elkaar versterken. Kinderen moeten geen last hebben van versnipperde beleidstrajecten en hebben recht op volwassenen die samenwerken.

In de structuurwijzigingen zie je in wezen steeds golfbewegingen terug van de mate waarin het accent wordt gelegd op de omgeving of op de onderwijskundige aanpak. Met het onderwijskansenbeleid hebben we geprobeerd de brug te slaan: de school als eenheid van verandering, een goede sterkte zwakte analyse binnen en buiten de school en een integraal meerjarig plan met goede bestuurlijke afspraken van gemeente en schoolbesturen. Jullie hebben daar in Zaandam actief aan meegedaan. Ik herinner me mijn bezoek aan jullie wethouder, die toen net van de inspectie voor het onderwijs kwam en precies snapte wat we bedoelden. Ik herinner me ook discussies met Ton Gloudemans die al die omgevingsactiviteiten maar niets vond en vooral wilde investeren in effectief onderwijs.

Onder de structuurwijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid schuilt ook een ander vraagstuk. Aan de hand van mijn eigen geschiedenis heb ik geschetst dat onderwijsachterstandenbeleid een emancipatieopdracht is. Door de veranderende populatie zie je echter dat de laatste jaren het beeld is verschoven van emancipatie naar integratie. Nu het beeld is ontstaan dat de integratie van allochtone groepen is mislukt, lijkt het onderwijsachterstandenbeleid te worden afgerekend op andere doelstellingen dan waarvoor het was bedoeld. Dat is zuur, juist nu we zien dat er wel degelijk resultaat wordt geboekt op de emancipatiedoelstellingen. Zo gaan de leerprestaties langzaam maar gestaag omhoog. Geheel tegengesteld aan het beeld in de publieke opinie zien we bovendien dat de meeste leerwinst wordt geboekt op de zwarte scholen. Wie oplet zal dat niet verbazen. Juist in die scholen zie je immers dat de kennis en ervaring fors is toegenomen. Uit de cijfers blijkt ook dat er een verdubbeling heeft plaatsgevonden van het aantal allochtone leerlingen in Havo en Vwo en in HBO en Wo. Maar je ziet ook dat juist de autochtone kinderen van laag opgeleide ouders achteruit gaan in leerprestaties en dat moet ons een zorg zijn. Ik weet niet hoe dat in Zaandam zit maar in Rotterdam zijn de ouders van 20% van de basisschoolkinderen nog steeds laag opgeleid.

Hoe zal het onderwijsachterstandenbeleid zich ontwikkelen in de komende jaren? Per 1 augustus 2005 hangt een bezuiniging van 100 miljoen op het gemeentelijk budget boven ons hoofd. Dat is grofweg de helft van de gemeentelijke middelen. Het zal ook voor jullie een gigantische inspanning zijn om die bezuiniging zo in te voeren dat je de waardevolle dingen overeind kunt houden. Voordeel is wel dat de bezuiniging een jaar later valt dan eerst gedacht. Dat levert in ieder geval tijdwinst op. En heel stiekem hoop ik soms dat  de discussie in de Tweede Kamer nog opengebroken wordt……

Na augustus 2006 zal bovendien de verplichting tot op overeenstemming gericht overleg vervallen. Dat betekent dat de samenwerking tussen gemeente en schoolbesturen niet langer bij wet wordt afgedwongen. Van het schoolbestuur wordt verwacht dat men bereid en in staat is, maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen. Ik ga ervan uit dat gemeente en schoolbesturen niet weer ieder hun weg gaan. U hebt immers een gedeeld belang in de toekomst van de Zaanse jeugd. Bij wet afgedwongen samenwerking heeft als nadeel dat gedeelde belangen en visies worden vervangen door competentiestrijd en onderhandelingsstrategieën. Dat heb ik ook op veel plekken zien gebeuren na 1998.

Gewilde samenwerking heeft natuurlijk als groot voordeel dat je kunt zoeken naar de overeenkomsten en afspraken kunt maken die vanzelfsprekend worden nagekomen omdat ze niet afgedwongen maar gewild zijn. Ik werkte ooit voor een wethouder die altijd zei “breng mij de spraakmakende gemeente van de schoolbesturen”. Hij vroeg hen aan tafel in de wetenschap dat hij hen nodig had en dat leidde tot goede gesprekken, gedeelde ambities en verantwoordelijkheid nemen aan beide kanten. Terugkijkend op die periode zei één van de betrokken schoolbestuurders later “het waren de kleine dingen die het deden”.

Mariet gaat weg in een turbulente periode. Ik heb haar leren kennen als een betrokken onderwijskansencoördinator. Jullie zullen haar missen en zij zal jullie vast ook missen. Deze week mailde ze me al dat ze de bijeenkomst van vandaag met gemengde gevoelens tegemoet zag. Als jullie nog vragen hebben over de toekomst van het onderwijsachterstandenbeleid dan weet ik zeker dat Sanne die kan beantwoorden. Maar bedenk dat het uiteindelijk in júllie handen ligt of jullie er samen voor weten te zorgen dat de kinderen die vandaag opgroeien in Poelenburg en in andere wijken van zaanstad ál hun talenten tot ontwikkeling kunnen laten komen.

Ik wens Mariet het allerbeste en jullie heel veel succes in het Zaans onderwijsachterstandenbeleid onder moeilijke omstandigheden.

december 2003