Jantine Kriens
Sociale waarden en normen
Dat ‘sociale competentie’ niet als doelstelling is opgenomen in het Landelijk beleidskader gemeentelijke onderwijsachterstanden, en daarmee tot wettelijk onderwijsdoel is verklaard, heeft voor een deel te maken met de normatieve component ervan. Want welke waarden en normen legt de overheid, via de school, dan op? Die van de witte middenklasse? Kan dat wel in een heterogene, multiculturele samenleving? Volgens landelijk projectleider onderwijsachterstandenbeleid Jantine Kriens hoeft dat niet het effect te zijn. ‘De meeste  scholen kennen allang een heterogene schoolbevolking. Dat betekent dat ouders, leraren, schoolleiders, en schoolbestuurders op de een of andere manier afspraken moeten maken over bijvoorbeeld het pedagogisch klimaat in de school. Daarbij maken ze ook afspraken over waarden en normen en wenselijk gedrag.’ Een lastig probleem daarbij vormt het ontbreken van een heldere definitie van sociale competentie en instrumenten om te toetsen in hoeverre leerlingen sociaal competent zijn en wat de school daaraan bijdraagt. Kriens: ‘Maar tijdens de behandeling van het Landelijk beleidskader in de Tweede Kamer hebben alle partijen aangegeven dat het werken aan sociale competentie, ook en juist in het kader van het bestrijden en voorkomen van onderwijsachterstanden, belangrijk is. Het argument om deze doelstelling niet op te nemen was eerder praktisch dan principieel.´

Dat er geen goede instrumenten zijn is nog steeds een feit, maar inmiddels is er wel een goede definitie. ‘Professor Ten Dam heeft onlangs de verschillende benaderingen van het begrip ‘sociale competentie’ onderzocht. Globaal gesproken zijn er twee lijnen: die van de psychologische ontwikkeling, dus gedraagt dit kind zich ‘sociaal competent’ zoals dat op grond van zijn of haar leeftijd kan worden verwacht, en die vanuit het perspectief van sociale participatie en kritisch burgerschap.’ Deze twee benaderingen liggen volgens Kriens enigszins in elkaars verlengde. ‘Het lijkt me logisch dat je bij jonge kinderen vooral de ontwikkelingspychologische benadering moet hanteren, en bij oudere kinderen, in het voortgezet onderwijs bijvoorbeeld, het aspect van sociale participatie en kritisch burgerschap meer nadruk krijgt.’

Voor het opleggen van waarden en normen door de overheid is Kriens niet bang. ‘Sociaal competent gedrag verschilt per context, per etnisch-culturele achtergrond en het verschilt ook voor jongens en meisjes, of dat nou wenselijk is of niet.’ En hoewel het voor ‘sociale participatie’ noodzakelijk is dat alle leerlingen zich ‘sociaal competent’ kunnen gedragen in een overwegend witte, heteroseksueel georiënteerde mannenmaatschappij, en dus ook de heersende waarden en normen moeten leren, hoeft dat niet te betekenen dat niemand er meer eigen waarden op na kan houden. ´Leraren moeten hun leerlingen helpen in uiteenlopende situaties sociaal competent gedrag te ontwikkelen. Kinderen moeten zozeer nette burgers worden, als wel kritische burgers.´

april 2003