Jantine Kriens
Investeren in zwarte scholen de moeite waard

Het debat over de integratie van minderheden in Nederland is het afgelopen jaar heviger dan ooit gevoerd. De algemene teneur is dat deze integratie volledig is mislukt. Onveiligheid, vooral in de grote steden, en criminaliteit door groepen allochtone jongeren bieden het uitgangspunt voor talrijke betogen waarin het failliet over de integratie en het gevoerde integratiebeleid wordt uitgesproken. In deze beeldvorming wordt ook de situatie van minderheden in het onderwijs doorgaans als desastreus gekenschetst.

Dat de breed gevoerde discussies over integratie vaak leiden tot het uitvergroten of versimpelen van de problematiek is te betreuren, maar waarschijnlijk onvermijdelijk.  De feiten en de cijfers waarover we beschikken voor het onderwijs, rechtvaardigen echter allerminst een overwegend negatieve conclusie.

Hoe het staat met  allochtone kinderen in het onderwijs weten we vrij nauwkeurig, omdat we beschikken over onderzoeksgegevens die een reeks van jaren bestrijken. Het Sociaal Cultureel Planbureau berekende in 2001, dat over een periode van tien jaar de taalachterstanden van Turkse, Marokkaanse en Surinaamse leerlingen met 25%, de rekenachterstanden met 50% afnamen. Deze winst kan in de analyses niet volledig verklaard worden uit bijvoorbeeld een langere verblijfsduur of veranderingen in de gezinnen van de leerlingen, en het ligt dus voor de hand die winst op zijn minst ten dele toe te schrijven aan verbeteringen in de basisscholen.  Er kan natuurlijk over worden gediscussieerd of dit meevallende of tegenvallende cijfers zijn, maar hier is onmiskenbaar sprake van een duidelijke vooruitgang.

De cijfers van het Planbureau bestrijken de periode 1988 – 1998. Later ingevoerd beleid kan dus niet op basis van deze cijfers worden beoordeeld. Twee kernpunten in dat beleid zijn extra investeringen in de educatieve voorzieningen voor kinderen van 0-6 jaar en een geïntensiveerde aanpak op scholen met veel allochtone kinderen. Van beide strategieën wordt veel verwacht, onder meer omdat buitenlands onderzoek hiervan gunstige resultaten heeft laten zien. Of dat voor Nederland ook gaat gelden weten we nu nog niet, maar er is reden tot optimisme, vooral als het lukt om aan een aantal basisvoorwaarden te voldoen. Voor de investeringen in de voorschoolse voorzieningen zijn dat het werken met  kwalitatief goede programma’s en met goed opgeleide leidsters en leerkrachten.  Voor de geïntensiveerde schoolspecifieke aanpak zijn dat een stevig schoolmanagement, een goed taalbeleid  en aansluiten zoeken met  het werk van andere instellingen, die werkzaam zijn in gezondheidszorg en jeugdbeleid. Dit laatste vereist minimaal een actieve rol van de gemeente. De praktijk laat zien dat ook hier het realiseren van kwaliteit niet zo heel gemakkelijk is, maar dat scholen en gemeenten sinds 1998 een flinke stap vooruit hebben gezet.

De cijfers moeten straks uitwijzen of de investeringen in de voorzieningen voor jonge kinderen en de achterstandsscholen inderdaad het gewenste effect opleveren, maar op dit moment kunnen we ze op zijn minst betitelen als kansrijk.

De discussie over het onderwijs aan allochtone leerlingen gaat echter inmiddels nauwelijks meer over de kwaliteit van dat onderwijs en van het gemeentelijk beleid, maar vooral over de zwarte scholen. Zwarte scholen is de populair geworden benaming voor scholen waar een overgrote meerderheid van de leerlingen allochtoon is. Het is niet zo heel moeilijk in te zien dat een school met leerlingen, afkomstig uit heel verschillende culturen, met zeer uiteenlopende thuistalen, en soms moeilijke gezinssituaties veel meer inspanning moet leveren om goede resultaten met de leerlingen te bereiken, dan een school met kinderen uit Nederlandse middenklassengezinnen. Onderzoeken tonen ook aan dat een concentratie van risicoleerlingen het behalen van goede leerprestaties bemoeilijkt. Maar dat geldt niet (meer) voor alle domeinen. Het Sociaal Cultureel Planbureau constateert dat de rekenprestaties op zwarte scholen niet lager zijn dan op scholen met weinig of geen allochtone leerlingen. Op taal is dat resultaat helaas nog niet bereikt. Wel blijken zwarte scholen steeds meer, en ook meer dan andere scholen, te werken op basis van de principes die volgens de huidige stand van kennis goed zijn voor het bereiken van betere prestaties, zoals veel aandacht voor de kernvakken, voor structurering van de leerstof en voor een doelmatig klassenmanagement. Dat juist zwarte scholen meer en gerichte inspanningen moeten leveren om resultaten te boeken rechtvaardigt de hogere investeringen.

Of concentratie van allochtone kinderen in scholen vanuit het perspectief van de integratie van minderheidsgroepen wenselijk is, is natuurlijk wel een punt van discussie. Maar het is wat al te simpel om te denken dat ‘falend beleid’ of de allochtonen zelf daarvoor verantwoordelijk zijn, laat staan de zwarte scholen, die er immers weinig aan kunnen doen.  Die scholen kunnen niet veel anders dan proberen zo goed mogelijk onderwijs te verzorgen voor de leerlingen die worden aangemeld en via contacten met andere instellingen en ouders ook de tijd buiten de school voor de kinderen zo goed mogelijk in te vullen. En verder is  het  mengen van autochtone en allochtone kinderen op een school misschien wel gewenst, maar zeker ook niet de oplossing voor alle sociale problemen. Het is overigens interessant om te zien dat men in de Verenigde Staten, waar geen vrije schoolkeuze van ouders bestaat, dat nu juist wil invoeren als een middel om integratie tot stand te brengen.

Het is evident dat er ook in het onderwijs nog heel wat problemen moeten worden opgelost rond onderwijsachterstanden van allochtone kinderen en om een betere integratie te realiseren. Maar het beeld dat het beleid van de afgelopen tien tot vijftien jaar alleen maar gefaald heeft, past niet bij de feiten en cijfers. De discussie over de integratie van minderheden zou aan kwaliteit en helderheid winnen, als deze feiten en cijfers de aandacht krijgen die ze verdienen, en als niet het hele onderwijsachterstandenbeleid werd vermengd met de specifieke situatie van de zwarte scholen en de segregatieverschijnselen in het onderwijs.

Jo Kloprogge, directeur onderzoek- en adviesbureau Sardes, Utrecht

Jantine Kriens, landelijk projectleider onderwijsachterstandenbeleid, Transferpunt Onderwijsachterstanden, Den Haag

Guuske Ledoux, onderzoeker SCO Kohnstamm Instituut, Amsterdam

februari 2003