Jantine Kriens
“Voorsprong uit achterstand”

In het onderwijs zijn we goed in ronkende en dikwijls ook verhullende taal. Soms denk ik dat we veel te verbergen hebben. Zo staat in de wet dat gemeenten verplicht zijn tot ‘op overeenstemming gericht overleg’ met schoolbesturen en heeft de minister aangekondigd dat gemeenten en schoolbesturen ‘niet vrijblijvende afspraken’ moeten maken over de segregatie in het onderwijs. Wat moet hier verborgen worden? Als ík overleg ben ik altijd uit op overeenstemming, Zo’n toevoeging maakt mij vooral wantrouwig. Dat geldt ook voor die ‘niet vrijblijvende afspraken’. Maakt u afspraken met de bedoeling u er niet aan te houden? Krampachtige zinnen als deze verwijzen vooral naar de moeizame relatie in de driehoek gemeenten, schoolbesturen en Rijksoverheid.

In Rotterdam hebben we daar al jaren last van. De afgelopen decennia hebben we verschillende landelijke onderwijsvernieuwingen meegemaakt waar we meer last dan gemak van hadden. Ik noem er een paar. De grote schaalvergrotingsoperaties bijvoorbeeld. Het idee was mooi: om meer recht te doen aan verschillen tussen leerlingen heb je een grotere bestuurlijke schaal nodig. Dat is helemaal waar, maar tegelijkertijd hebben opgroeiende jongeren én professionals een schaal nodig die recht doet aan de menselijke maat. Onderwijs geven is niet alleen deskundigheid binnen brengen maar ook passie voor je vak hebben, interesse in elkaar tonen , toekomstperspectieven delen en ontwikkelen en nog veel meer…… Die duizend kleine dingen komen alleen tot bloei waar mensen elkaar kennen en gekend worden. Vanuit dat perspectief is bestuurlijke schaalvergroting alleen van waarde in combinatie met een interne organisatievorm die de menselijke maat hanteert. Tot op de dag van vandaag worstelen we daarmee.

Hebben we er in Rotterdam meer last van dan elders in het land? Ja, daar ben ik van overtuigd. Rotterdam is de afgelopen jaar in zo hoog tempo verandert dat menselijke relaties hun vanzelfsprekendheid verloren. Immigranten en autochtone Rotterdammers moesten zichzelf opnieuw uitvinden om elkaar te leren kennen. In de micro samenleving van een school was dat het eerst zichtbaar en zijn de gevolgen het grootst omdat onderwijs en opvoeding mensenwerk is. Terwijl aan de bovenkant van de onderwijsinstituten eindeloos veel tijd werd gestoken in fusies en herstructureringen, voelden leerlingen en leerkrachten zich in de steek gelaten en soms vervreemd van zichzelf en elkaar.

En dan de invoering van het VMBO. Grote idealen. Het VMBO zou gelijke kansen moeten waarborgen, de mogelijkheden van individuele leerlingen beter moeten benutten, ‘niet kunners’ en ‘niet willers’ op de juiste plek brengen en nog veel meer. Helaas hebben we in Nederland al jaren een patstelling als het gaat om fundamentele onderwijsveranderingen. Ideologen en professionals zijn een duivels verbond aangegaan waarin goede bedoelingen telkens weer verzanden in ingewikkelde compromissen die vooral aangrijpen bij de structuur en zelden bij de inhoud. Leerkrachten, leerlingen en directies móeten veel maar slechts zelden wordt de vraag gesteld wat zij willen.

Hebben we daar in Rotterdam meer last van dan elders in Nederland? Ja, daar ben ik van overtuigd. De complexiteit van de grote stad maakt dat een heleboel landelijke maatregelen die op het eerste oog reëel lijken, in Rotterdam in hun tegendeel verkeren. In plaats van samenwerking wordt landelijk de concurrentie tussen scholen bevorderd om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Maar concurrentie tussen scholen is in kleine stedelijke samenlevingen heel iets anders dan in de grote stad. De verbondenheid met scholen is minder groot is, ouders ‘hoppen’ gemakkelijker en er is altijd een relatief grote groep aan de onderkant voor wie maatschappelijke verantwoordelijkheid genomen moet worden; ook als scholen en hun besturen er niet beter van worden in termen van imago of aantal. Wie wordt er gelukkig van dat het VMBO in de binnenstad net zoveel leerlingen verliest als de scholen aan de rand van de stad erbij krijgen? Of het nu een witte een grijze of inmiddels zelfs een zwarte vlucht is doet er eigenlijk niet toe. Wat ertoe doet is dat het een gigantische kapitaalverspilling is, materieel maar ook menselijk. Al die negatieve energie die gepaard gaat met angst om je baan te verliezen, je positie kwijt te raken, helemaal opnieuw te moeten beginnen.

De eenzijdige nadruk op bestuurlijke schaalvergroting, het versterken van de concurrentie maar ook het ‘zorgdenken’ in het landelijk onderwijsbeleid belemmeren ons in een effectieve aanpak van Rotterdamse vraagstukken. Met eindeloos gedifferentieerde diagnoseinstrumenten wordt geconstateerd dat tientallen procenten van de VMBO leerlingen zorg nodig hebben. Zo is het systeem zichzelf gek aan het maken. Per definitie zit de helft van de leerlingen onder het statistisch gemiddelde. Soms heeft dat te maken met de capaciteiten van leerlingen, soms met omgevingsfactoren en soms met de aanpak van de school. Dat betekent dat je niet alleen moet kijken naar wat leerlingen níet kunnen maar vooral op zoek moet gaan naar wat ze wél kunnen. Bij omgevingsfactoren is roep je de hulp van een ander in: niet alles kan door onderwijs worden opgelost. Ligt het probleem bij de onderwijsaanpak dan moet je zelf aan de slag. Meestal gaat het niet om grote structuren maar om het beter doen van de duizend kleine dingen die de kwaliteit van onderwijs bepalen.

Mijn stelling is dat de grote onderwijsvernieuwingen van de afgelopen jaren ons in Rotterdam eerder in de weg zaten dan dat ze ons hebben geholpen om de Rotterdamse jeugd de kans te geven op een loopbaan en een levensloop naar hun talenten.

Geldt dat ook voor de doorstroming VMBO/ROC in het perspectief van de kenniseconomie? Een beetje wel. Dat woord kenniseconomie is een soort mantra geworden. In het landelijk innovatieplatform zijn veel bobo’s verzameld maar er schijnt nog weinig uit te komen. Toch is de kenniseconomie juist in Rotterdam een verschrikkelijk belangrijk thema. De transformatie van havenstad, van stad met opgestroopte mouwen en van stad spierkracht naar een creatieve stad met een open klimaat waarin nieuwe ideeën gedijen en het vermogen om nieuwe dingen te maken, is bittere noodzaak. Dat betekent dat we onze achterstand tot een voorsprong moeten maken. Volgens mij kan dat. We hebben een paar troeven in handen die uniek zijn: we verjongen terwijl men elders vergrijst, we hebben een gigantische diversiteit in de stad en overal in de wereld zie je dat diversiteit de belangrijkste bron is voor creativiteit. We hebben een traditie van argeloze eigenwijzigheid in onderwijsvernieuwing. We hebben een groot vermogen om over grenzen heen samen te werken áls we een gezamenlijk perspectief voor ogen hebben.

Voor een herontwerp van het beroepsonderwijs dat achterstand tot voorsprong maakt gelden 4 ononderhandelbare uitgangpunten.:. Ten eerste moet er een moratorium worden uitgesproken op structuurveranderingen. Laten we afspreken dat we het gedurende 10 jaar niet meer hebben over structuurveranderingen; dat we ons richten op wat inhoudelijk nodig is. Alleen als de mensen op de werkvloer aangeven dat structuurveranderingen nodig zijn om hun inhoudelijke ambities te realiseren doen we daar wat aan. Breng docenten van VMBO’s en ROC’s samen en daag hen uit om de doorstroming te verbeteren. Faciliteer hen om de goede dingen goed te doen en ga aan de slag met hún ideeën over de noodzakelijke randvoorwaarden. Ten tweede is de menselijke maat uitgangspunt. De vorming van kernteams en de aandacht voor integratie van vakken is een prima stap maar de menselijke maat gaat verder. Hoe kun je ervoor zorgen dat leerlingen en leerkrachten elkaar inspireren en misschien ook gewoon een beetje van elkaar houden. De menselijke maat gaat over organisatievormen maar ook over de manier waarop je met elkaar omgaat; van hoog tot laag en binnen en buiten onderwijs. Als regelvrije zones daarbij helpen: prima. Maar laat het uitblijven van regelvrije zones geen alibi zijn om weer achterover te leunen. Veel belangrijker dan regelvrije zones is weten wat je wilt. Dan blijkt dat heel veel kan door bestaande regels te benutten voor je eigen doelen.

Ten derde halen we de passie voor het vak terug. Het vak van leerkracht maar ook het vak van bakker, portier, beveiliger, peuterspeelzaalleidsters en die duizelingwekkende hoeveelheid beroepsmogelijkheden die je hebt. Dat doe je door mensen die van hun vak houden nog veel vaker de school in te halen en leerlingen de werkvloer op te sturen omdat ze daar zo verschrikkelijk veel van leren. Passie voor je vak doet ertoe, je moet het waarderen en het is misschien wel het meest effectieve instrument om kinderen en jongeren voor te bereiden op hun plek in het Rotterdam van morgen.

Ten vierde geven we de jongeren zelf weer verantwoordelijkheden en nemen we hen serieus in hún ideeën over goed beroepsonderwijs. Laatst vertelde iemand me dat hij in een rondje over het net op een merkwaardige discrepantie was gestuit. Aan de bovenkant van het beroepsonderwijs had iedereen de mond vol over de kenniseconomie, de doorstroming, de portfolio’s en nog veel meer. Maar aan de onderkant hadden leerlingen vooral een paar basale wensen: leuke inspirerende leraren, lessen die op tijd beginnen, administratie die een beetje deugt, goed ICT voorzieningen en serieus genomen worden. Dat is een mooi beeld en wat mij betreft zou dát beeld centraal moeten staan in een herontwerp van het beroepsonderwijs. Niet de grote verhalen maar de aandacht voor de menselijke maat zal het Rotterdamse beroepsonderwijs tot brug naar de creatieve stad maken.

september 2004


Deze column werd uitgesproken tijdens het debat “Herontwerp van het Rotterdamse beroepsonderwijs: de doorstroom van (V)MBO naar kenniseconomie”. Dit programma vond plaats op 21 september 2004 in Rotterdam. De eigendomsrechten liggen bij de auteur. Reproductie en andersoortig gebruik alleen na overleg met Het Portaal.